Brief aan spoedarts

Beste spoedarts,

Deze brief ben ik steeds weer opnieuw begonnen. Ik kan de toon niet vinden. De woorden die dragen wat mijn intentie is. Ergens tussen begrip voor jullie werkdruk en willen begrijpen waarom je deed wat je deed. Ik zoek tegelijkertijdswoorden, die zowel jou erkennen, als voor mijzelf opkomen. Woorden waarmee ik overbrug, verbinding leg en toenader in plaats van verwijder. Ik kan ze nu niet vinden.

Dat is niet omdat die intentie er niet is. Ik wil oprecht met respect over je denken en praten. En ondertussen is er in mij ook die oude pijn, geraaktheid en onderstroom. De verwarring ook, omdat door jouw onverwachte aanraking er vermenging is ontstaan tussen vroeger en nu. Ik voel wanhoop en woede. In de eerste plaats op mezelf. En ik weet dat het beter met mij zal gaan als ik woorden geef aan mijn boosheid. En dan kom ik toch bij jou uit. Maar ben ik wel boos op een persoon, of eigenlijk op een systeem, dat groter is dan jij en ik? Het systeem van protocollen, waarin ik, met mijn hele hebben en houden gecomprimeerd ben tot deze ene klacht, met deze paar bloedwaarden. Nu ik zo begin te schrijven is het hier mis gegaan. Ik zal het proberen uit te leggen.

Ik kom binnen op de spoed, met de ambulance. Alleen. Stoer vind ik dat van mezelf. Dat ik met vroegkinderlijk trauma rond ziekenhuis nu zonder begeleiding en zonder hulphond op deze kamer lig. Ik heb er vertrouwen in, want voor jou staan er een paar korte aanwijzingen in mijn dossier. Dat ik DIS heb, dat ik schakeltijd nodig heb om met mijn deelpersonen te overleggen. En dat ik heel goed kan aangeven wat mij helpt en niet helpt. Ik lig hier nu na 4 dagen niet drinken en ruim een week niet eten. Ik ben verzwakt en uitgeput. Met het kleine beetje energie dat ik nog heb, ben ik als een goede moeder voor mijn jonge delen aan het zorgen. Ik probeer ze uit te leggen waar we zijn en wat er gaat gebeuren. Alleen vertelt niemand van jullie wat er gaat gebeuren. De verpleegkundige stelt vragen aan me, met zijn rug naar mij toe, terwijl hij gegevens invoert in de computer. Hij loopt weg en vergeet de bel bij me neer te leggen. Mijn telefoon zit in mijn tas. Ik kan niemand bereiken. Ik verdraag het. Haal adem, blijf om me heen kijken, oriënteren in het hier en nu. Het lukt!

En dan kom jij me onderzoeken. Ik verwacht de huidtest om te kijken of ik uitgedroogd ben. Maar even later raak je mijn heupen en de binnenkant van mijn dijen aan. “Voel je dit?” vraag je. Het gaat te snel. Ik begrijp niet wat dit voelen tussen mijn benen te maken heeft met mijn uitdrogingsklachten. Wat ikzelf niet begrijp kan ik mijn traumadelen ook niet uitleggen. In de weken hierna wil iemand in mij voortdurend de plekken waar jij me hebt aangeraakt eraf schuren met schuurpapier. Er is ruzie in mijn hoofd. “Dan schrijf je een compleet boek over traumasensitiviteit in het ziekenhuis, train je lotgenoten en zelf kan je niet eens je grenzen aangeven.”  Mijn missie staat op losse schroeven. Wat zijn mijn woorden, schrijfsels, presentaties nog waard, als ik zelfs dit niet kan. Als ik dit laat gebeuren.

Wat ik had willen zeggen is: “Wat wil je onderzoeken?” en dan vervolgens: “Morgen ga ik naar een vrouwelijke neuroloog die herniaonderzoek gaat doen. Het scheelt mij een hoop triggers als je dat nu kan overslaan.” Dan hadden we kunnen overleggen. Als je het echt graag had willen onderzoeken dan had ik je kunnen vragen te vertellen waar je zou beginnen met aanraken.

Dit alles heb ik niet gedaan en dat nemen wij onszelf kwalijk. De oplossing is nu om nooit meer naar de spoed te gaan, want blijkbaar kan ik niet op mezelf vertrouwen. De aanname dat er alleen naar de uitdroging gekeken zou worden, en dus mijn ‘onderbroekgebied’ veilig zou zijn. Want het systeem kijkt naar deze ene klacht. Het bleek toch niet zo te zijn. Jij keek wel ook naar mijn rug. Een paar uur later bij de acute afdeling zal het wel weer alleen gaan om de uitdroging. Ik raak daar van in de war.

Even later wil je mij een middel tegen misselijkheid geven. Ik steek mijn hand op: “Niet dat middel, want daar krijg ik onrustige armen en benen van.” Volgens jou is de kans nul komma weinig dat ik spiertrekkingen heb gekregen van dat middel, dus je geeft het me toch. Op dat moment voel ik dat mijn stem er niet toe doet. Het idee dat er van alles ingespoten kan worden en dat ik daar geen regie over heb, wakkert een paniek aan van binnen, die tot op de dag van vandaag nog niet rustig is. Even later zeg je dat ik dat middel volgende keer toch niet meer mag, vanwege wisselwerking met mijn andere medicatie.

De enige weg uit dit vastzitten in zelfverwijt en vermijding is verbinding maken, een bruggetje maken met jou/ jullie. Mijn stem gebruiken. Ik wil je wat zeggen en wat vragen. Waarschijnlijk heb je niet gezien hoezeer dit mij ontregelde. Ik was allang overgeschakeld op mijn overleving van aanpassen en meedoen.

Wat ik je wil zeggen is dit: Ik begrijp heel goed dat het ontzettend druk is. Dat er geen tijd is voor levensverhalen en uitgebreide gebruiksaanwijzingen. Het gevolg is dat ik voorlopig met niets meer naar het ziekenhuis durf. De getriggerdheid die is aangewakkerd kan wel een uitdooftijd hebben van een paar maanden. Gebeurt er nu iets lichamelijks, dan zullen complicaties zich opstapelen omdat ik geen medische zorg meer zal zoeken.

Ik heb goede ervaringen gehad met artsen in de afgelopen jaren. Die kleine zinnnetjes om af te stemmen. Die blik zonder woorden: ‘ik ken je verleden, het is oke, ik doe niets wat jij niet wil.’ Die momenten zijn ontroerend herstellend voor me geweest. Volgens mij kan je echt verschil maken, groot verschil tussen een herstelervaring geven of zoals nu moeten herstellen van deze voor mij heftige triggers.

Het kost 1 minuut meer. Je hoeft namelijk maar 1 vraag te stellen: “Wat kan ik doen om de onderzoeken zo haalbaar mogelijk voor je te maken?” Of nog korter: “Waarmee kan ik je helpen?”  Ben je bang dat er dan bij patiënten alsnog lange verhalen uitkomen. Dan is niets vragen, maar wel zeggen wat je doet/ gaat doen en doen wat je zegt, al heel helpend.

Ik schreef al eerder dat deze ervaring met jou op de spoed mij ontmoedigd heeft om mijn werk te blijven doen. Wat heeft het voor zin om traumasensitief werken onder de aandacht te brengen, als in de drukte van de SEH het niet lukt? Ik heb een aantekening in mijn dossier. Een app op mijn telefoon met uitleg en een kaartje in mijn portemonnee. Ik was te zwak om eraan te denken. Ik vraag me af of het had geholpen? Werken getypte letters op zo’n moment? Dat puzzelt me. Wat zouden mogelijkheden zijn om op een snelle manier toch elkaar te verstaan?

Gaat het om bewustzijn? Is het voor mij te logisch geworden om te verwachten dat als je mijn voorgeschiedenis leest je de triggers wel begrijpt? Is dat mijn beroepsdeformatie? Had het verschil gemaakt als ik mijn hulphond wel had meegenomen? Als een soort uithangbord van mijn psychische kwetsbaarheid? Of zit het in de vorm van het dossier? Moet er iets verzonnen worden wat oppopt? Een kaartje om mijn nek, had dat gewerkt? Ik weet het niet.

Misschien zit de oplossing niet in het optuigen van hulpmiddelen en uitzonderingen. Maar in het wederzijds begrijpen. Wil je mij vertellen hoe jij dit ziet? Wat er door je heen gaat als ik met mijn dossier aan jouw zorg wordt toevertrouwd?

Wat vind je van wat ik schrijf? Ik ben oprecht benieuwd. Voor mij is begrijpen waarom iemand doet zoals hij doet een helpende manier om de rust van binnen weer terug te laten keren.

Wil je daarmee helpen?

Groet,

Roos

Meer lezen over mijn ervaringen met trauma en ziekenhuis? Lees dan mijn boek ‘Tegelijkertijd’.

Related Posts