Herstel in flarden 3: diepere lagen
Begin augustus wordt mijn hulphond aangevallen. Hierbij raken we allebei gewond. Wat volgt is een diepgaand herstelproces. Door slaapgebrek en overbelasting van mijn ogen, lukte het niet om te schrijven en een samenhangend verhaal te vertellen. Inmiddels gaat dat de goede kant op.
Dit is deel 3 in de serie: herstel in flarden, vervolg op deel 1 Herstel in flarden: Het incident – en deel 2: Herstel in flarden 2: Het uithouden –
Het zijn korte losstaande stukjes tekst, die samen een verslag vormen van onze herstelreis. De telling loopt door waar ik gebleven was. Dit is nog niet het einde. Er volgt nog een deel (of twee).
20. Wondherstel is een fascinerend iets. Het liefst laat ik aan iedereen het verloop van de schade zien, omdat het zo boeiend is. Maar niet iedereen blijkt tegen bloed te kunnen, dus ik houd me in. De rauwe schade, de loshangende huidflap en de aanblik van onderhuids weefsel. Zijn dat al de spieren die je ziet? Daarna de hechtingen en de zichtbare blauwe, rode plekken van de andere bijtpunten. Hoe het gaat pruttelen en lekken. Er ontstaat een laagje en nog één en nog één. Vanuit de randen komt er nieuw weefsel en na een week is de vijftien centimeter wond gereduceerd tot twee, hooguit drie centimeter. Heel lang blijft het open, ook nadat de hechtingen eruit zijn en dan ineens is er een korstje. Pijn gaat over in jeuk. Binnen drie weken is er een litteken. Onderhuids bobbelt het. Vier weken later groeit er al weer haar overheen.
Ik ben er door geraakt. Maar wat het raakt is moeilijk uit te leggen. Het tempo misschien. Het contrast tussen die fysieke herstel en de impact op ons leven. Ook hoe het lichaam eerst pruttelt, en daarna laagje voor laagje voor herstel zorgt. Het is zoals bij veel dingen, zoals ook veel kankerpatiënten ervaren. “Wat fijn dat je genezen bent.” Dan ken je het zwarte gat nog niet. Wanneer de buitenkant, de huid dicht zit en je naar binnen kijkt en ziet wat voor pijnlijke ravage daar nog is.
21. Mijn nicht had ons een hele tijd geleden al uitgenodigd om te komen logeren. We zijn nog steeds welkom. Rollo heeft de kap nog om als we erheen gaan, want blijkbaar is een litteken ook lekker om op te kauwen. Het is fijn om mee te deinen op het ritme van een huishouden. Voor het eerst weer in een bed slapen, overdag wakker zijn en ’s nachts slapen. Ik voel hoe uitgeput ik ben, maar ook hoe het waakzame in mij nog wakker is. We zitten vlakbij zee en ik wil de zomer inhalen. Wat ik de afgelopen weken gemist heb aan vrijheid en buitenleven proppen in één weekend. We wandelen een middag door de duinen, lopen over het strand en ik neem twee keer een duik in zee. Op het strand kan Rollo heerlijk vrij rennen. Met volle teugen genieten.
22. Weer thuis haper ik. Tussen waakzaamheid en ontspannen. Tussen dag en nacht. Tussen doodmoe en volhouden. Mijn oog trilt nu al een week, er komen lichtflitsen bij wanneer ik mijn ogen open heb. Ik kook water, maar weet niet meer hoe ik thee moet zetten. Ik durf niet te ontspannen. Zo moe. Zo verschrikkelijk moe dat mijn botten zeer doen. Ik ben geloof ik zelfs te moe om er een eind aan te maken. Ik zit klem.
23. “Hoe gaat het met je?” Ik zeg niets. Ik kijk voor me uit en begin te huilen. “Ik ben zo moe. Ik ben op. Ik slaap nog steeds niet. Ik weet niet meer hoe het moet. Alles. De dag leven. Eten. Uitlaten.” Stilte. Alleen maar tranen. Ik leg mijn hoofd neer. “Als ik rust neem, neemt mijn waakzaamheid af. En dat mag niet. Maar dit gaat niet meer. Ik wil alleen nog maar met mijn ogen dicht zitten.” Hij kijkt me vriendelijk aan. “Volgens mij moet jij even helemaal niets meer hoeven. En tot rust komen.” “Maar hoe?” “Ik ga even bellen, ben zo terug.” Ik blijf met mijn hoofd op tafel liggen. “Hoe zou je het vinden om een paar dagen bij ons te logeren. Je hoeft niets. Gewoon er zijn.” Ik voel opluchting. “Dat zou wel fijn zijn, denk ik.” Het kan vanaf morgen.
24. Ik heb gevraagd of ze me wil helpen met buiten lopen. Dat gaat geloof ik nog niet zo goed. “Roos, kan je je voorstellen dat je als het ware een hoepel om jezelf hebt, dat dat je ruimte is.” Ik hoor woorden, maar kan ze niet vertalen. We zijn bij het stoplicht, ik kijk alleen maar naar de tegels vlak voor me. “Blijf maar even staan.” “Wat zei je net?” “Laat dat maar los, je neemt geen informatie op. Het is allemaal wat te intens nog. We gaan hier oversteken, kijk maar voor je naar de overkant.” Ik voel me opgejaagd wild. De stoplichten en het tikkende geluid, de auto’s, de fietsers, de wandelaars daar met een hond… ik kan elk moment gedood worden.
“Probeer een punt te kiezen waar je heenloopt. Vandaaruit zoek je een nieuw punt.” Ik probeer rechtop te staan en te kijken. De hoeveelheid prikkels overweldigt me. Het liefst blijf ik in mijn coconnetje. Terug naar de bank. Rollo en ik op 2 vierkante meter. Waarom kan dat niet voor altijd zo blijven? Hier buiten is het druk, onvoorspelbaar en veel te gevaarlijk. “Welk punt kies je?” Ik weet het niet. “Bijvoorbeeld dat verkeersbord daar. Focus je daarop en loop daarheen.” Ik doe wat ze zegt. Rollo loopt met me mee. En nu het volgende punt. Zolang zij me deze instructies geeft, lukt het. Probeer ik het weer even zelf, dan zwabber ik zonder plan en hobbelt Rollo onzeker met mij mee.
Ineens valt er een kwartje. “Dit deed ik ook toen die hond ons aanviel. Ik zag dat de jongen het lastig had, maar de hond was aangelijnd. Ik wilde hem de ruimte geven dat zelf op te lossen. Ik koos een punt op het pad, met twee meter tussen ons. Zo zelfverzekerd mogelijk wilde ik met Rollo passeren. Wanneer ik dat zo doe, focust Rollo zich op mij, omdat hij voelt dat ik stevig ben. Dan is de kans heel klein dat hij contact zoekt met de andere hond.” Ik ben even stil. “Maar het werkte niet dit keer. We werden aangevallen. En de moeder van die jongen zei later zelfs dat het kwam omdat wij op het pad doorliepen. Het is dus heel gevaarlijk om een punt te kiezen om naar toe te lopen. We zullen moeten zwalken vanaf nu.” Wat een inzicht. Nu na vier weken begrijp ik eindelijk waarom het maar niet lukt om Rollo uit te laten. Ik loop steeds zonder plan en bij iedere prikkel of trigger draai ik om, of stap van de stoep op de straat en andersom. Rollo krijgt geen enkele sturing meer van mij. “Logisch dat je dat denkt. Maar zoals je nu doet weet Rollo niet waar hij aan toe is. Probeer maar een punt te kiezen. Het aanvoelen wanneer de situatie vraagt om toch te wijken komt wel weer.” ‘Dat komt dus niet!! Je had het fout Roos!!’ Ik negeer de stem in mij en oefen met lopen in rechte lijnen. “Je hoeft ook niet de hele tijd te checken of Rollo nog aan je lijn zit. Kijk maar gewoon voor je. Je voelt wel dat hij er is.” Ik voel nog helemaal niks, maar ik begrijp wat ze bedoelt.
We gaan even op een bankje zitten. Ik zit op het randje, klaar om direct op te springen. “Het bankje heeft een rugleuning. Probeer maar.” Haar vriendelijke rustige stem nodigt me uit om een beetje meer te ontspannen. Rollo snuffelt wat. Ik heb de lijn even los gelaten. In de verte zie ik een hond aankomen. Ik wil meteen naar Rollo rennen. Ik probeer alles in de vertraging te doen. Wat blijkt.. ik heb alle tijd om te kijken naar die hond, naar Rollo, hem rustig bij me te roepen en de lijn weer ontspannen vast te houden.
25. Ik kom binnen in dit vreemde huis, wat eigenlijk best als een fijn vreemd huis voelt. Een ronde bank met veel kussens. Ik probeer eerst rechtop te blijven zitten, netjes mijn thee opdrinken. Zij staan in de keuken. “Mag ik op de bank liggen?” “Ja, natuurlijk” zeggen ze tegelijk. Ik ga liggen, doe mijn ogen dicht. Rollo komt bij me liggen. Niets. Ik hoef helemaal niets meer.
Het is alsof ik mezelf eindelijk toestemming geef om weer te voelen. Nog geen emoties of pijn, maar de bank onder mij. De kussens. En dan mijn ogen die branden, mijn zware lijf en alle beweging die traag gaat. “Zo moe he, je bent zo moe.” Ik knik.
“Je mag het vragen, als je het fijn vindt als één van ons naast je komt zitten, voor even wat steun.” Ik voel hoe ik hier de ruimte krijg. Dat zelfs steun ontvangen alleen maar hoeft als ik het aankan. “Ik zou het fijn vinden als je even bij me zit.” Hij pakt een krantje en komt tussen mij en Rollo op de bank. Rollo beschouwt de situatie en keurt het goed. Dan komen eindelijk de tranen.
In de uren en dagen hierna zak ik steeds verder in ontspanning. Mijn ogen zijn drie weken buiten mijn hoofd geweest. Mijn ogen waren gefocust op één punt. Als ik even iets verder van Rollo af was, hield ik nog steeds mijn oren en ogen gericht op hem om ieder signaal van krabben of bijten aan de wond op tijd opvangen. Alsof mijn ogen op steeltjes stonden. Voor mijn gevoel moet ik ze nu naar binnen hengelen. Ik zal het me wel verbeelden, maar het lijkt alsof mijn oogspieren zijn opgerekt en nu in een kramp schieten. Het enige wat ik wil, is met mijn ogen dicht zitten of liggen.
Ik doe oortjes met een luisterboek in en lig zo uren op de bank. Heel langzaam, vezeltje voor vezeltje durf ik wat te zakken in mijn lijf. Dan ineens begin ik te schudden en te trillen. Even later schop ik om me heen. De tafel wordt aan de kant geschoven. Ik voel steun bij mijn voeten. Handen waar ik tegen kan duwen. Dan beginnen ook mijn armen te slaan en mijn hele bovenlijf doet mee. Nu ook steun bij mijn handen. “Het is oke Roos, Duw maar.” Het duwen helpt, alsof er een kader is en ik voel waar mijn lichaam eindigt. Want het voelt alsof ik mijn armen en benen nog eens verlies door al dat ongecontroleerde bewegen. Het is alsof deze bewegingen een maand vast hebben gezeten. Dat ik me uit de hondenkluwen wil bewegen. Ik laat het gebeuren en op een gegeven moment gaan de grote bewegingen over in trillen en kleine schokjes. Daarna komen de tranen. Ik laat mijn hoofd zakken en voel nabijheid. Kopje thee, dekentje en weer even slapen. Om de paar uur herhaalt zich dit, maar steeds net een beetje anders. Net een andere laag, andere scene.
26. “Weet je wat jij doet? Het is alsof je mens-erger-je-niet aan het spelen bent en je bent er helemaal af gegooid. Nu ben je als een malle aan het proberen zo snel mogelijk weer 6 te gooien om weer mee te kunnen doen.” Ik glimlach. Dat doe ik inderdaad, zo snel mogelijk hier doorheen, hup en weer door. “Je bent echt hartstikke moe. Je kan ook gewoon even niet gooien.” Ik zie het beeld voor me. Inderdaad, ik kan de rest laten doorspelen en zelf even naar de keuken lopen om chips en drinken te pakken. De volgende ronde doe ik wel weer mee.
27. “Heb je een lange lijn? Dan gaan we naar het losloopbos.” Ik wil dit doen, omdat ik weet dat dit de weg is om er doorheen te gaan. Alles in mij stribbelt tegen. Samen met twee mensen erbij en een lange lijn, wat kan er gebeuren? “Nou genoeg!! De vorige keer was met drie mensen erbij en allebei de honden kort aangelijnd. Wil je Rollo dood hebben ofzo?!” Ik zou willen zeggen tegen mijn binnendelen dat het goed komt. Maar ik weet niet of het goed komt. Ik weet niets meer zeker. Iemand die ik vertrouw en weet hoe het met honden werkt is er nu bij. Ik volg maar gewoon. Op de parkeerplaats voel ik mijn hartslag in mijn keel. Rustig ademen, stevig staan. “We lopen deze laan op en neer.” Iets in mij roept dat dat niets is, 10 minuten heen, 10 minuten terug. Daarvoor zijn we toch niet helemaal naar het bos gereden. Geen 6 gooien. Het hoeft niet veel en snel, eerst dit beginnetje maken. Zelfs het zien van bomen veroorzaakt een paniekreactie. De geur van bos. De eerste hond die we passeren is een kleintje en dat gaat heel goed. Het lukt me om wat om me heen te kijken. Het groen van de bomen, het mos op de grond. Diepe zucht. “Misschien is bos toch wel een heel klein beetje een fijne plek eventueel.” Even later is er een klein grommetje van Rollo als een hond te dicht bij komt. “Zie je wel, de honden lossen het met elkaar wel op.” Terug bij de auto ben ik bekaf. Wat een inspanning was dit.
28. En dan is er ineens het moment dat het voelt alsof er een valluik onder mij open gaat. De herinneringen aan de geur van Rollo’s wond, de desinfectiemiddelen en het gestolde bloed, is als een luik naar een onderwereld. Ik zak er in, eerst naar het ene trauma en daarna naar het andere. Dat hele vroege. Nu niet meer op ‘plaatjes’ niveau, maar met geuren en andere sensaties. Alles loopt door elkaar. Boven en onderwereld. Binnen en buitenwereld. Ik ben hier in dit niet meer vreemde huis, met best wel veilige mensen. Zodra er in mijn lijf iets van ontspanning is, een fractie van het loslaten van de maand waakzaamheid schrik ik op. “Als er ‘s nachts iets is, mag je ons roepen.” “Ja ja, doe ik toch niet.” Rond 3.00 uur houd ik het niet meer. Ik sla van mij af, bijt in mijn handen, trap tegen de muur en gil. Ik ruik alles weer. Ik wiebel en wankel en sta op. Klop op de deur. Ga weer liggen en direct gaat het verder. Later zal ik hieraan terugdenken en mijn opnametijd herinneren. Waarin ik een keer mezelf in een herbeleving had onderkoeld onder de douche en toen op de hulpknop had geduwd. De reactie was dat als ik op de hulpknop kon duwen, mezelf ook wel uit de situatie kon halen.
Nu heb ik met al mijn kracht en focus die 10 stappen gezet om op de deur te kloppen. Tien stappen van niet gillen en slaan en bijten, die daarna maximaal ingehaald wordt. Het is namelijk niet iets wat ik zomaar kan stoppen, 3 tellen onderdrukken gaat net.
“Goed dat je me geroepen hebt, ik pak even een stoel.” Mijn lichaam schokt en ik sla alle kanten op. “Duw maar met je voeten.” Er is steun, tegenwicht, geen luchtledige meer. Daarna een hand om vast te houden. De fysieke pijn snijdt door me heen. Het is een gewaarwording die ik lastig vind om over te brengen, omdat ik niet weet of iemand anders dat ook wel eens voelt. Iets met in het diepst van mijn ziel ofzo. Ik ben daar en toen, maar ook een beetje hier en nu. Ik kan voelen dat ik niet meer alleen ben. Ik adem uit. Getrappel op de trap. Rollo komt naar boven. Hij gaat naast het bed liggen. Diepe zucht. We kunnen weer gaan slapen.
28. Het wc papier begint op te raken. Ik ben eindelijk toch ongesteld geworden en dan gebruik ik altijd net iets meer. Normaal gesproken verstop ik een rol in mijn koffer, maar in de haast ben ik dat vergeten. Het is een erfenis uit de tijd dat ik bij andere gezinnen woonde. Ooit is er toen gezegd dat sinds ik daar was het wc-papier zo snel op ging. Nog steeds geeft dat stress als ik ergens logeer. Ik voel me hier inmiddels wel op mijn gemak dus ik besluit het aan haar te vertellen. Ze blijkt dit soort dingen te herkennen uit eigen ervaring. Dat zorgt voor ontspanning. Een paar uur later komt hij uit de voorraadkast met een groot pak wc-papier. We moeten erom lachen. “Tja, sinds ik hier ben gaat het wel heel hard.”
29. We zitten aan tafel te eten. “Het is niet jouw schuld he, wat er met Rollo is gebeurd.” Ik kijk verbaasd: “Natuurlijk is het wel mijn schuld.” “Waarom denk je dat?” Ik switch naar een ander deel, of was dat eigenlijk al na die eerste zin. Ik hoor mezelf met een andere stem praten. Over wat ik zeg, heb ik geen controle meer. Ik ben zelf ook benieuwd wat voor antwoord er komt. “Nou, dat snap je toch zelf wel. Wij liepen op het pad. En Roos was stellig dat ze een punt koos en doorliep. We hadden beter kunnen vluchten, dan was het niet gebeurd.” “Je bent er echt boos over he” “Ja, het is onze eigen dikke vette schuld.” Ze vertelt verder over hoe ze het mist om te lopen en te dwalen. Dat die maand met Rollo ziek op de bank voelde als een gijzeling. “Buiten is van iedereen, alleen daar voel ik me veilig. Maar nu is buiten gevaarlijk en zelfs het bos.” Even is ze stil. Dan vertelt ze verder. “Hier ken ik de weg niet en ik probeer expres te verdwalen. Maar Roos gaat dan bellen wat het adres ook al weer is.” “Je mist het dwalen echt. Deze maand was een grote verandering voor je. Misschien kan je met Roos afspreken dat je op een veilige manier toch kan dwalen.” “Ik heb wel een idee, dat kan wel in de wijk vlakbij, daar ken ik heel veel weggetjes nog niet.” Dat klinkt als een plan. Het voelt vreemd dat anderen zien dat ik vanuit een ander deel praat. Ik wil me schamen, maar ik voel teveel liefde om in schaamte te kunnen verdwijnen.
30. Het is tijd om weer naar huis te gaan. Het landen gaat moeizaam. Wat zijn er in en rond mijn huis veel prikkels. Geluiden buiten, mensen op straat die me aanspreken, de stemmen van de buren. Rollo spiegelt mijn onrust. “Geen 6 gooien. Ik hoef nog helemaal niets” zeg ik als een mantra hardop tegen mezelf.
Ik slaap niet. De lichamelijke herbelevingen gaan door. Ik leg kussens tegen de muren zodat ik mezelf niet bezeer. Zolang ik geen 6 gooi, hoef ik niet perse goed te slapen, zeg ik tegen mezelf. Dat haalt de stress er wat van af. Maar dan nog. Wat is het zwaar, deze nachten, deze dagen. Het uithouden met mezelf, met de pijn van binnen. Ik durf geen hulp meer te vragen, want alles wat je kan bedenken aan hulp heb ik al ingezet. Dacht ik. Dus nu ben ik helemaal op mezelf aangewezen. Dat idee geeft diepe paniek. Ik bel 113. Ze helpt me met een oefening om rustig te worden. De volgende dag doe ik een spraakbericht naar mijn therapeut.
Ik wil zo graag zelfstandig zijn en mijn eigen veerkracht weer ervaren. Maar hoe doe ik dat? Wat me helpt is om hele concrete hulpvragen te stellen. Dat wordt door mijn binnenwereld toegestaan. Verder wordt er vooral gevonden dat het weer helemaal zelf moet. Dus ik vraag: “Wil je me helpen met rustig durven/kunnen liggen? De dingen die ik normaal doe als ik paniek heb ‘s nachts kunnen niet meer. Ik heb namelijk een bibliotheek in mijn hoofd van boswandelingen. Stukjes die ik helemaal ken, waar ik doorheen kan wandelen van boomstronk tot mosjes. In gedachten langs het strand lopen is me te saai. Maar alles met bos geeft nu paniek. Ik spreek nu spraakberichtjes in naar mezelf waarin ik zeg dat ik rustig en veilig mag gaan liggen, maar mijn stem is nog te paniekerig om geloofd te worden. Ik krijg als reactie een paar concrete tips rond ademhaling en visualiseren. Uur voor uur houd ik het vol.
Reflectie: ik beschrijf hier een week in september. Wat ik bijzonder vind aan deze (potentieel) traumatische gebeurtenis met Rollo is dat ik het nu direct ervaar, terwijl dat omgekeerd voelt. Beetje cryptisch misschien. Wat ik bedoel is dit: Stel je een steen in een vijver voor, die steen is dan de gebeurtenis en daaromheen alle kringen. Wat ik gewend ben van werken met trauma is dat ik de buitenste cirkel, de rimpel merkte in mijn leven. De hele vroegkinderlijke trauma’s, die stenen waren al 30 jaar geleden naar de bodem van de vijver gezakt. Ik merkte de buitenste rimpel en nog één en nog één en door therapie steeds dichter naar het midden. Daar waar de cirkels dicht bij elkaar zijn. Eerst heb je alleen een idee van hoe groot de steen ongeveer geweest moet zijn. Dan bij het midden dook ik kopje onder en zag wat al die tijd te groot was om te zien. Ik weet genoeg van het trauma, maar ook veel niet. Ik weet welk weer het was, maar niet hoe laat precies.
Nu is het andersom. Ik weet precies op welk tijdstip de hond om het hoekje kwam in het bos. Ik weet wat voor hond en wat voor jongen. Wie er bij me was. Daarna ervoer ik de eerste cirkel, het eerste effect op mijn leven. De regelstand, het zorgen voor, de fysieke wonden. Daarna de ontregeling in mijn zenuwstelsel. De vecht-en vlucht respons die nog vast zaten en er schokkend uitkwamen. Maar ook mijn gedachten en overtuigingen gingen meedoen: het bos is een gevaarlijk plek, werd ‘een boom is een gevaarlijk ding.’ De overbelasting van mijn brein en ogen, het gevolg van niet slapen en stress. Niet meer kunnen lezen, schrijven. Geen overzicht meer kunnen houden, concentratieverlies. De rimpeling ging verder naar verlies van hoop en zingeving. Nu, half december golft het nog wat na. Maar als ik aan de ‘steen’ terugdenk, dat bos, die plek en die gebeurtenis, dan slaat de paniek me niet meer om de oren. Het activeert niet opnieuw extra rimpelingen als ik daar aan denk. Hoe dat komt vertel ik in het volgende deel.
Meer over mij en Rollo lees je in Boek Tegelijkertijd –



