Onzichtbaar onbegrepen

Ik ben momenteel weer iemand met onbegrepen gedrag. Dit keer niet omdat ik me als een verwarrend persoon gedraag. Mijn onzichtbare lichamelijke klachten door de kanker zorgen nu voor fronsende wenkbrauwen, roddels en stilzwijgende invullingen. Ik weet het. Ik merk het. Ik hoor het via via. Maar omdat het zo vaak niet naar mijzelf wordt uitgesproken kan ik er weinig mee.

Ik zit in de stoel voor mijn huis. Half verscholen achter de appelboom, een stapel wilgentenen naast me op de grond. Ik ben bezig met mijn nestjesproject. Buurman Piet roept naar me vanuit de steeg iets verderop. “Ben je aan het vlechten?” “Ja, klopt, ik maak vogelnestjes”. Hij komt naar me toe. Aan de andere kant van het tuinhekje blijft hij staan kijken. “Waarom doe je dat?” “Oh, gewoon als kunstproject. Ik vind het leuk om nieuwe dingen te leren.” We praten nog een tijdje en dan zegt hij ineens: “Jij moet altijd eerst de kat uit de boom kijken, he?” Ik ben verbaasd. Dat valt wel mee toch. “Nou, jij bent niet zo sociaal. Je loopt altijd gewoon door op straat. Je staat nooit stil voor een praatje. Ik zie dat wel hoor, ik heb bij de politie gezeten, ik zie dat soort dingen.” Er is een buuf bij komen staan. Ik weet niet meer hoe we er op kwamen, maar ze zegt zoiets als “Ja, jij weet natuurlijk niet hoelang je nog hebt.” “Dat weet niemand”, zegt buurman Piet. “Klopt,” zegt buuf, “Maar toch is het anders als je weet dat je niet weet hoelang je nog hebt.” Piet kijkt ons niet begrijpend aan. “Oh, je wist niet dat ik kanker heb.” Nee, dat wist hij niet. “Wie weet is dat wel de reden dat ik doorloop, lang staan praten houd ik niet zo lang vol. Nu zo zittend gaat het best.” “Nou, nu ben je best sociaal, maar dat komt natuurlijk omdat je ons nu wel kent.” Ik zwijg verstandig. Het plaatje wat in zijn hoofd gevormd is, is er niet zomaar uit.

“Roos weet wel echt wat ze wil. Ze wil niet te ver lopen en ze geeft ook geen handen. Het is wel echt een pittig type.” Dit hoor ik via via terug nadat ik ergens een gastles heb gegeven. Over dat handen geven ben ik juist heel onzeker. Het is iets waar ik van binnen over in conflict raak. In mijn normale dagelijkse leven geef ik nooit een hand en dat wordt ook niet van me gevraagd. In het ziekenhuis, bij de fysio, therapeut en bij het kankerinloophuis is het afgeschaft. De mensen die weten dat ik lymfeklierkanker hebben, leggen vaak zelf de link met verminderde afweer. Ik voel me dan ook voor het blok gezet als ik ineens wel in een handengeef-cultuur kom. Soms doe ik het wel, als mijn aanpasser op de voorgrond staat. Meestal bevries ik en zeg ik vervolgens iets als ‘dat doe ik eigenlijk niet.’ Wat dit betreft verlang ik wel eens terug naar de coronaperiode. Ik kan hierdoor ook tegen sociale situaties gaan opzien. Dat ik dus iemand ben die echt weet wat ze wil, tja, ik denk dat ik geschrokken was en het er daardoor wat plompverloren uit kwam.

Roos wil niet ver lopen. Ook zo iets wat ik best vaak tegenkom bij gastlessen. Laatst was ik in een school en daar moest de lift bediend worden met een pasje wat bij de concierge gehaald moest worden. “Is het echt nodig?” en dat iemand me dan bekijkt. Het punt is: het is echt nodig. Het is geen kwestie van, ‘ik heb liever suiker in mijn thee, maar zonder drink ik het ook wel op.’  Het kan simpelweg gewoon echt niet. Ver lopen met een laptoptas om mijn schouder of traplopen. Het is geen kwestie van geen zin hebben of ‘liever niet’. Het is gewoon geen optie. Iemand in een rolstoel hoeft toch ook niet te zeggen. “Als ik heel eerlijk ben, ga ik eigenlijk liever toch wel met de lift, misschien als dat zou kunnen.” Die vraagt gewoon “Waar is de lift?”. Punt. Waarom ben ik meteen heel direct als ik zeg dat de trap niet kan?

Sinds kort heb ik een sticker op mijn voordeur. “Niet aanbellen als ik je niet verwacht.” Eigenlijk wilde ik opschrijven: “Ik slaap regelmatig overdag of ik pak even rust en als je zomaar aanbelt, schrik ik van Rollo die wakker wordt of ik kom helemaal uit bed. Dus als het om een pakketje voor de buren gaat, liever niet, tenzij het die van nummer 4 is. Die kan ik appen en dan komt ze het halen op een moment dat het uitkomt. Bij de anderen heb ik dan dat er nog een keer gebeld wordt, omdat ze het komen halen en dan ben ik de hele dag onrustig. Je mag wel aanbellen als je een vriendin bent die spontaan komt en heel ver weg woont.” Dat werd toch iets te lang.

Ik zit te eten en er wordt aangebeld. Ik doe toch open, want ja, stel dat het die goede vriendin is. Ik zie een goede-doelenverkoper. “Heb je de sticker niet gezien?” vraag ik. “Wat is dat nou weer? Die ken ik nog niet die sticker. Goedenavond mevrouw, wist u dat er in Nederland…” “Ho, wacht, die sticker betekent dat ik niet had willen open doen. Fijne avond nog.

Een uur later gaat de bel weer. Het is de postbezorger. “Ik verwacht je niet” en ik wijs naar de sticker. “Klopt, het pakketje is ook niet voor u maar voor de buurvrouw.” Zucht.

Ik besluit om niet meer open te doen, maar op een ochtend word ik wakker gebeld. Rollo rent naar de voordeur. Ik doe toch open. Het is een aannemer van de gemeente, die komt kijken of er nog wat te isoleren valt. Ik sta in mijn pyama voor hem. “Ehm, heeft u de sticker niet gezien, ik sliep nog.”  “Die zag ik wel. Maar ik heb van te voren wel gebeld. Je nam alleen niet op.” “Hadden we dan een afspraak. Sorry, dan ben ik die vergeten.” “Nee, hoor we hadden geen afspraak.” “Dus u belt, ik neem niet op zo vroeg in de ochtend en u komt langs, ziet deze sticker en belt toch aan. Nou, kom binnen.”

Gaat lekker dat grenzen aangeven en zorgen voor wat ik nodig heb. Wordt er gedacht: dat geldt vast niet voor mij? Ik ben er nu toch. Het is alleen maar mijn hand. Het is maar kort. Of zou het komen doordat de grens van niet aanbellen en die van geen handen geven, niet direct begrepen wordt door de ander? Dat de reden niet duidelijk is. Dat een grens zonder uitleg blijkbaar niet gerespecteerd hoeft te worden.

Related Posts