Spelen met vuur

Er komt een beroepswaaghals langs bij de AYA’s (jonge mensen kankerclub). Tijdens de vorige AYA-lounge heb ik mijn zenuwachtigheid in de groep gegooid. Ik ben niet speciaal bang voor vuur. Ik ben bang om gepusht te worden om dingen te doen die over mijn grens gaan. Ik weet wat er bij mij van binnen gebeurt en dat wanneer ik naar de angst toe ga bewegen ik openbaar kan switchen (van deelpersoon wisselen). Daar heb ik geen zin in. Ik bleek niet de enige te zijn die het spannend vindt en er werd ons verzekerd dat we niets hoeven te doen wat we niet willen.

Ik voel me met mijn hele hebben en houden zo gekend en gesteund in de groep dat ik het wel aandurf zonder Rollo. Ik moet er niet aan denken dat mijn wandelde swiffer in de fik vliegt. Aangezien we naar de angst toe gaan bewegen, lijkt het me voor hem ook te ingewikkeld wanneer hij nu wel of niet alarm moet slaan. Rollo heeft daarom een avondje vrij.

JP de stuntman begint zijn workshop met vertellen wat hij allemaal doet aan toffe dingen. Ik krijg een glimlach op mijn gezicht. Zo tof allemaal en lekker op of over het randje. Er zijn delen in mij die daar heel goed op gaan. Ik weet nog hoe het was om parachute te springen, dat drempelmoment waarop alles in je lijf aanstaat en daarna een ultiem gevoel van vrijheid.

Vervolgens vertelt hij ons meer over angst en schrijven we allemaal een antwoord op de vraag: “Wat is een angst waar ik wat mee wil?” Ik denk direct terug aan het afgelopen jaar en mijn intensieve exposuretherapie. Vier jaar geleden, toen ik de knobbel in mijn nek ontdekte, stond ik voor het grote dilemma: “Ga ik het laten onderzoeken of niet?” De angst voor het ziekenhuis was zo groot, dat ik altijd had gezegd dat ik nog liever dood ga. Ik verzon allerlei excuses over ‘kwaliteit van leven’ en als ik zoveel angst en herbelevingen krijg het beter is om nooit meer naar het ziekenhuis te gaan. Vanwege nare ervaringen in het verleden was deze vermijding hardnekkig. De keerzijde was dat ik dan nooit zou weten of de knobbel kanker is of niet. En die onzekerheid bleek nog moeilijker te dragen dan de angst. Dus besloot ik het aan te gaan en alles te ondergaan wat strikt noodzakelijk was om de diagnose te kunnen stellen. De rest is geschiedenis. Inderdaad kanker, maar ook mentaal veel gezonder doordat ik door mijn angst heen ben gegaan. Over dit proces gaat mijn boek “Tegelijkertijd”. 

Vorig jaar stond ik voor een nieuwe drempel. Nu was er een nieuwe ‘ik ben nog liever dood’, namelijk onderzoek in het ‘onderbroek’ gebied. De angst dat er ooit wat nodig is door de lymfomen in dat gebied werd zo groot dat vermijden niet hielp. De angst zette zich vast in mijn lijf, met bekkenbodempijn als gevolg. Met hulp van een gynaecoloog is het gelukt om in ruim tien sessies door deze angst heen te bewegen.

Terug naar de workshop. Ik schrijf op mijn briefje: de angst dat ik het toch niet blijk te kunnen, omdat het dan moet bij een zorgverlener die minder geduldig is.

Wie wil noemt zijn angst hardop. JP begeleid het heel open en ontspannen. “Dankjewel voor het delen”, zonder diep in te gaan op wat er gezegd is.  

We krijgen uitleg over hoe angst werkt en wat het verschil is tussen comfortzone, angstzone, leerzone en paniekzone. Dat herken ik direct van mijn exposuresessies. Wat ik ervaren heb, is dat er verschil is tussen angst en paniek en dat voorbij de angst, maar vóór de paniek de groei zit.  In de stoel bij de gynaecoloog was de stap veel te groot geweest als ik dat meteen zonder onderbroek had gedaan. Ik begon met kijken naar de stoel. Daarna zitten in de stoel, iets achterover en mijn benen in de beugels. Mijn lichaam protesteerde met tics en spiersamentrekkingen. Ik moest mijn benen vastpakken en in de beugels leggen, zoveel spanning zat erop. En dan verdragen. Adem rustig laten zakken. Praten over de moestuin en honden. Zo kon ik voelen dat de angstgolf ook weer uitdooft.

Met deze ervaringen nog vers in mijn geheugen luister ik verder naar het verhaal van JP. Hij vertelt hoe hij een aanrijding met een auto droog oefent met een matras op de tafel. Voorstellen hoe het zal gaan en de bewegingen maken. Keer op keer. Wanneer hij de stunt echt moet doen, is hij als het ware al dertig keer aangereden.  Dit visualiseren in combinatie met mijn spiergeheugen trainen is iets wat ik vaak bewust inzet. Wanneer ik het spannend vind om een scan in te gaan, loop ik vooraf alle stappen bewust door. Niet tot in de scan, maar tot en met daarna, dat ik weer op de fiets naar huis zit. Hetzelfde deed ik bij de gynaecoloog. Het eindigt niet kwetsbaar en angstig onderuit in die stoel. Het is een activiteit waar een begin, maar ook een einde aan zit. Dat ik dit zelf kan oefenen is enorme winst, want het helpt mijn lichaam uit de bevriezing te blijven. Vroeger, in de misbruiksituatie kwam ik er in en daarna is er error in mijn hoofd en lijf. De beelden en ervaringen zijn versplinterd en bewaar ik in verschillende delen in mij. Dat maakt het zo beangstigend dat ik vaak er wel in kom, maar geen weg eruit weet. Ik kan hertraumatisering in het hier en nu voorkomen door voor moeilijke onderzoeken mijn bewegingen alvast helemaal te trainen. “Had ik dit maar eerder geleerd”, denk ik zo vaak.

In de presentatie van JP zitten een aantal beelden die me triggeren en dan gaat er ook nog ineens iets praten op zijn telefoon. Ik schrik en tic er lekker op los met mijn lijf. Degene naast mij weet al dat hij misschien voor hulphond moet spelen. Ik voel dat ik gekaapt word door één van mijn deelpersonen en zit even later met mijn capuchon over mijn hoofd. Ach.. was te verwachten.

Uitleg en oefenen met focussen op lichaamssignalen en ademhaling wisselen elkaar af. Dan is het moment om te gaan spelen met vuur.

JP steekt een fakkel aan en daarna raakt hij je hand aan. Dan heb je een klein vlammetje in je hand. Vervolgens maak je dat vlammetje zelf uit door je hand dicht te doen. Ik voel van alles tegelijkertijd in mij roepen. Mijn meisje van acht wil wegrennen, zij is als enige heel bang voor vuur. Mijn puber van 15 wil het lekker niet uitmaken, nu kunnen we legaal onszelf pijn doen. Ik voel hoe mijn angstsysteem aangaat. Ik voel het in mijn buik, dat is wat hier en nu past bij de oefening. Ik merk ook dat mijn rechterarm bezig is met de afweer die hoort bij het gevaar van vroeger. Als die tic te erg wordt, kan het oncontroleerbaar worden. Gebeurt er dan ook iets waar ik van schrik, zoals een telefoon die afgaat, dan bestaat de kans dat ik een uitval krijg. Het is niet alleen letterlijk, maar ook figuurlijk spelen met vuur. Vaak ben ik erop gericht uitval te voorkomen, binnen de veilige kaders te blijven. Ik wil anderen niet overbelasten met de gevolgen als ik wel ´out´ ben. Hoe ik vijftien jaar geleden ben opgevoed in de psychiatrie met de aansporing om vooral crisis te voorkomen. Schulddenken zit diep bij mij (en volgens mij bij veel mensen die misbruik hebben meegemaakt). Als het straks mis gaat, dan is het mijn schuld dat ik hier mezelf aan het uitdagen ben. Maar ik ben nu niet in de psychiatrie. Ik ben bij de AYA’s en we rekken allemaal onze grens op. De één krijgt tranen, de ander trilt of slaakt een gilletje. En ik tic, nou en. Het enige waar ik me wel zorgen om maak, is of ik de motoriek nog heb straks om het vuur uit te maken. Dat vind ik het lastige aan dat ik mezelf daar niet altijd in kan vertrouwen. Juist bij schrik en angst kan die verlamming er in een ´split second´ zijn en dan zit ik daar met een brandende hand die niet dicht wil.

Ik spreek deze angst uit. Dat helpt. Een lieve AYA die mij goed kent, komt naast me zitten.  We spreken af dat als mijn hand het niet doet, zij het vlammetje uitmaakt. JP komt er aan met de fakkel en raakt mijn handpalm aan. Ik voel helemaal geen pijn en heel rustig sluit in mijn hand en het vuurtje is uit. “Mijn lichaam doet gewoon wat het moet doen!” en helemaal zelf.

Even later sta ik vooraan voor een volgende uitdaging. Mijn vinger in de vloeistof dopen, JP steekt mijn vinger aan en dan doe ik mijn andere hand eromheen. Ik ben supervoorzichtig en doop alleen een heel klein stukje erin en veeg die ook nog eens af. Het resultaat is een miniwaakvlammetje. Andere hand erom heen en klaar. “Dit was echt niks”, roep ik. Het helpt wel dat ik de beweging nu al heb gemaakt. “Nog een keer!”  Nu is er wel een echte vlam op mijn vinger en ik doe mijn andere hand er rustig omheen. Ik voel een enorme lach op mijn gezicht komen. “Dit is gewoon hetzelfde gevoel wat ik had nadat er een exposureoefening was gelukt”, fluister ik naar mijn buurvrouw. Dat gevoel dat ik echt iets heb overwonnen. Vooral ook het groeiende vertrouwen dat ik niet verlam en dat ik kan doen wat ik moet doen. Mijn lichaam laat mij niet zomaar in de steek en zolang ik niet in paniek ben, blijft mijn motoriek het gewoon doen.

Ik kijk de groep rond en zie hoe iedereen er verschillend op reageert. Dat vijftien anderen het ook doen geeft vertrouwen. JP is de rust zelve, ook als de theedoek in brand vliegt. Deze manier van co-reguleren helpt mij. Er komt geen straf of “Dat krijg je ervan als je in paniek raakt, nu staat er een hele theedoek in de fik!”. Hij blijft kalm en rustig en maakt het met zijn handen uit. Iedereen blijft rustig zitten, alsof het heel normaal is. Er is controle en vriendelijkheid. En bij de meesten is er een reactie te zien op de spanning. Niets om je voor te schamen.

Wanneer ik dit vertaal naar het ziekenhuis dan is precies dit wat het verschil maakt in contact met zorgverleners. Dat wanneer bij mij de spanning oploopt, ik vriendelijk wordt benaderd, zonder oordeel. Dat de ander tegelijkertijd zelf wel gedecideerd blijft en controle heeft over zijn of haar eigen handelen. Dan kan ik mezelf spiegelen en daardoor reguleer en kalmeer ik.

Iets anders wat me aan het denken zet is, een verhaal van JP over iets wat mis ging in de lucht waarbij hij zijn hand brak. Pas in het ziekenhuis kwam de pijn door. Dit principe komt ook voor na bijvoorbeeld een auto-ongeluk. Dat je jezelf eerst in veiligheid brengt en pas later voelt hoeveel pijn er is. Iets met adrenaline of endorfine. Bij mensen met DIS is pijn voelen en aangeven vaak erg lastig. Dit kan per deelpersoon verschillen. Waar ik benieuwd naar ben of mensen zonder DIS maar met angst of PTSS ook moeite hebben met pijn aangeven. Als ziekenhuizen je angstsysteem zo aanzetten dat je op vechten of vluchten staat, zouden die stofjes er dan ook voor zorgen dat je geen pijn voelt?  Nog een reden om in contact tussen arts en patiënt te zorgen voor rust, afstemming en vriendelijkheid.

Wat me opviel tijdens de AYA-avond is dat we vuur gebruiken om het angstsysteem aan te zetten, zodat we kunnen ervaren hoe je ermee om kunt gaan. Sommigen hadden best veel uitdagingen nodig om angst aan te zetten. Ik heb echt geen spelen met vuur nodig om dit systeem in mij aan te zetten. Het is er altijd al. Voordat er een aansteker aan te pas kwam, had ik al een uur heel hard moeten werken om alle triggers op te vangen. Dit is iets wat zo normaal is voor mij, dat het me meestal niet opvalt.

We sloten de avond af met het doorgeven van vuur via je fakkel. De laatste stak daarmee een vuurschaal aan met onze briefjes met angsten. Ik liet mijn tranen gaan. Geraakt door de veiligheid in de groep en geraakt door de ervaring. In het rondje “Wat neem je mee van deze avond?’ deelde ik: “Ik ben onder de indruk dat mijn lichaam doet wat het moet doen. Ik ben veilig bij mezelf, want mijn motoriek viel niet uit. Dit gevoel van controle is zo’n intens gevoel van, ja van wat eigenlijk? Ik ben er ook een beetje van in de war. Want misschien is het op het randje wel veel veiliger dan ik denk.” Leuker in ieder geval wel. Dus als je me binnenkort in een superwoman-pak over de daken ziet vliegen, weet je wat ik aan het doen ben.

Related Posts