Wintertijd

Het is herfst, de dagen zijn kort en het regent veel. Ik kan goed alleen zijn en vind het fijn om de dag voor mezelf te hebben. Dus daar kan het niet aan liggen dat ik me in deze dagen eenzaam, lusteloos en verdrietig voel. Omdat vorig jaar mijn winterdip de vormen van een depressie begon aan te nemen, heb ik dit jaar voorzorgsmaatregelen genomen. Iedere ochtend begin ik met een kop thee voor mijn lichttherapielamp. Ik ben er begin oktober mee begonnen en ik heb wel het idee dat het helpt. Vooral het gevoel steeds in slaap te vallen is een stuk minder. Ook lukt het om iedere dag voor 10 uur beneden te zijn. Vorig jaar kwam ik niet voor 12 uur mijn bed uit. Rollo moet natuurlijk wel uitgelaten worden, maar dat deed ik tussen 3 en 4 ‘s nachts nadat ik wakker was geworden uit mijn eerste nachtmerrie. Deze maand heb ik nog maar één nachtelijke wandeling gemaakt. Blijven bewegen helpt ook, ik ga twee keer in de week zwemmen in het warme bad. Ik dacht bijna dat de winterspoken dit jaar aan me voorbij zouden gaan. Helaas. Een paar keer per week krijg ik ze toch een avond op bezoek.

Dan verandert ‘waarom ben ik er nog?’ van een neutrale vraag naar het zoeken waar ik me de komende tijd op wil richten, in een ‘waarom ben ik eigenlijk nog niet dood?’ Want dat wordt toch wel eens tijd. Wat heeft mijn leven nog voor zin, als ik toch niets zinnigs doe? Mensen gaan me missen als ik dood ben, maar ik leef toch niet enkel om hun gemis te bestrijden? Het is onafwendbaar en dat gemis komt toch. Nu iedereen weer druk is en ik toch bijna niemand zie, waarom besta ik dan nog alleen in dit lege huis? Stel dat ik nooit meer andere mensen zou zien, wat geeft dan mijn leven zin?

In de zomer kan ik daar wel antwoord op geven. Wanneer ik in mijn moestuin ben, omgeven door alle planten die zonder dat ik ze gezaaid heb, toch weer opkomen. Wanneer ik achter Rollo aanloop over een bospad en de geuren opsnuif. Wanneer ik alleen in de hangmat lig te rusten en de zon me verwarmt. Die momenten zijn minder alleen dan ik denk. Ik voel, ruik en hoor de natuur. Ik raak doordrenkt met het besef dat ik onderdeel ben van een groter geheel. Het geheel van planten, vogels, lucht, weer en wind. Die verbondenheid geeft mijn leven zin. Niet in de zin dat ik dan van betekenis ben, want die vogels zullen me niet missen. (Ben je pas van betekenis als je gemist zal worden?) Maar in de zin van dat ik er zin in heb. Die verbondenheid voedt mijn levenslust.  In de herfst en winter als het buiten regent, voelen de muren van mijn huis als een blokkade in die verbinding. Alsof ik afgesloten ben van de natuur. Natuurlijk kan ik nog steeds naar buiten. Maar mijn lijf vindt dat minder fijn. Mijn spieren doen pijn als het regent. Als ik het te koud heb, krijg ik koorts. Ik loop nog steeds anderhalf uur met Rollo buiten. Toch is het verschil enorm. In de zomer ben ik maar anderhalf uur per dag binnen. Ik ontbijt buiten, zit op een bankje in het park met Rollo. Of uren vogels te spotten. Ik kook buiten, rust buiten en eet buiten.

Als de winterspoken in mijn hoofd rondwaren, ga ik twijfelen aan het nut van mijn bestaan. Ik mis mijn werk als ervaringsdeskundig onderzoeker waarbij ik direct feedback kreeg. Ik zag meteen of een tekening die ik maakte raak was of niet. Ik voelde of een gesprek stroomde of stagneerde. Of mijn woorden aankwamen of in het luchtledige bleven hangen. Die directe vorm van bevestiging ontbreekt in de dingen die ik nu doe. Ik denk wat, schrijf wat, teken een beetje. Ik gooi er soms wat van de wereld in. Alsof ik in de moestuin alleen maar zou zaaien en nooit zie wat eruit groeit. Mijn winterspoken vertellen me dat ik mijn tijd nuttig moet besteden. Nu ik korter leef, mag ik het niet meer verlummelen. Of dat ik er nu echt moet gaan zijn voor mijn medemens. Terwijl het leuke van het leven gewoon maar wat aanrommelen is. Net zoals ik schilder. Eerst gewoon wat kleuren bij elkaar gooien op een doek. En dan kijken of ik er iets van structuur in kan ontdekken om dan die structuur te benadrukken met een paar extra lijntjes.

Ik dacht dat ik de winterspoken alleen maar weg kreeg door te gaan lopen. Dan maar natregenen, verkleumen en koorts krijgen. Of diep onder een deken weg te duiken en mijn daglichtlamp door het raam te smijten. Het heeft toch allemaal geen zin. Voor wie zou ik m’n best doen? Wie mist mij als ik maandenlang mijn bed niet uitkom?

Tegenwoordig geef ik de spoken een kopje thee met een handje pepernoten. Ik speel een liedje voor ze op mijn cello. Ik staar uit het raam en vervloek die voortdurende regen. Ik voel me opgesloten in huis en dat gevoel roept nare herinneringen op. Maar ik ben vrij ik mijn hoofd. Ik stel mezelf mijn moestuin voor, waar alles nat is en de padden en woelratten in hun holletjes kruipen. Ook de natuur trekt zich terug. Het is dus niet erg of gevaarlijk om even weg te kruipen. Met mijn voeten op de verwarming en de tranen over mijn wangen omdat ik denk aan mensen die ik mis. De musjes maken ruzie om het vogelvoer. Ik staar naar buiten. En wacht op de lente. De lente die hoe dan ook weer komt.

Related Posts