Afscheid van m’n reisgenootje

Boekfragment 1: april 2021

Buuf Judith neemt me mee om te wandelen. Ik sta nog wankel op mijn benen. Geen idee of dat nog komt van de narcose of dat de pijn in mijn nek en het dove gevoel in mijn zenuwen naar mijn hoofd een soort duizeligheid veroorzaken.  We lopen langs het huis van Claudia, het baasje van hond Boran. Er staat bezoek aan de deur, toch vraagt Claudia direct hoe het gaat. Ik wiebel op mijn benen en voel me erg verzwakt. Ik zou willen dat ik de kracht had om te praten en om haar te vragen hoe het gaat.

Een week geleden zei Roosmarijn tegen mij: “Weet je het al, van Claudia?” Ik wist het nog niet. Claudia zit bij Roosmarijn in de kerk en ze wist dat ik haar kende van de hond. Claudia heeft kanker en de prognose is niet goed. Ik vind het zo erg voor haar. Ze is nog zo jong, en leeft zo gezond. Wat oneerlijk dat juist zij zo ziek is. Ik mail Claudia om te zeggen dat ik het weet en dat we iets gemeen hebben. Van mij wist ze het ook nog niet.  Ons ziekteproces loopt raar parallel. Op de dagen dat ik een biopt heb, heeft zij een scan en andersom. Een paar dagen geleden sprak ik haar op het hondenveld. We hadden het over hoe we soms wakker worden met de gedachte dat het allemaal een droom was. Ik vind het zo erg voor haar en zij vindt het zo erg voor mij. Maar voor onszelf… dat lijkt nog niet emotioneel door te dringen. “Wat heftig om een week te moeten wachten op uitslagen.” “Hoelang moet jij wachten dan?” “Ook een week”. We schieten in de lach. Zie ons nou.

Nu loop ik langs en weet ik dat ze een uitslag heeft en zij weet dat ik net het biopt heb gehad. Meer dan elkaar groeten zit er nu niet in. Het is goed. Ieder haar eigen pad en toch verbonden.

Boekfragment 2: april 2022

We kletsten altijd even als we elkaar tegen kwamen met de hond. Sinds we allebei in een kankertraject zaten vorig jaar is het contact tussen Claudia en mij aan het veranderen van buurvrouwen naar vriendinnen. We appen af en toe over hoe het gaat en soms wandelen we een stukje samen. De hele week lopen we elkaar steeds mis. Ze had iets voor me besteld en dat zou ik komen halen. Maar iedere keer komt het bij één van beiden niet uit. Op vrijdagavond lukt het dan toch, Claudia komt het brengen. Ze komt even binnen en ik vraag hoe het gaat. “De kanker is terug.” Ik slik. Ik weet dat dit in haar geval betekent dat het echt mis is. Ze ziet er verslagen uit en zo voelt ze zich ook. Ik ben er stil van. Wat is dit snel gegaan. De kans dat het terug zou komen was groot, maar niet zo snel. Niet nu al. Het is nota bene de eerste week van april, precies een jaar later. Ik weet niet veel te zeggen. Dat doe ik dan ook maar niet. “Laten we met elkaar op blijven trekken, dat vind ik fijn,” zegt ze als ze opstaat. “Nu moet ik gaan. Ik moet nog de rest van de familie bellen.” Weer alleen komen de tranen. Ik voel me verdrietig en nog iets. Maar dat ‘nog iets’ kan ik niet goed verwoorden. Het is een mooi en pijnlijk gevoel tegelijk. Een gevoel van nabijheid, van dichtbij staan en dichtbij mogen zijn. Een gevoel van verbondenheid, van uit eigen ervaring meevoelen. En tegelijkertijd nu iets gaan zien gebeuren wat mij ook te wachten staat, later.

Ik deel het nieuws met iemand in mijn buurt. “Je moet jezelf beschermen.” “Waartegen, tegen verdriet? Alsof het niet verdrietig is als ik nu contact ga vermijden. Vriendschap en verbondenheid en iets voor elkaar mogen betekenen wint het altijd van verdriet.”  Een paar dagen later sta ik bij Claudia aan de deur om moestuingroenten te geven. Ik vraag hoe het is. Ze zucht. “Iedereen is zo verdrietig, alsof ik al dood ben. Ik wil gewoon leven.” Zo herkenbaar. Regelmatig drinken we thee of wandelen we samen. We praten over wat we ervaren. Over hoe je bloemen stom kunt vinden omdat het staat voor ziek zijn, terwijl je bloemen eigenlijk heel mooi vindt. Over wat mensen op kaartjes schrijven. Over dat kanker hebben ook hersenwerk is omdat er zoveel keuzes zijn in wel of niet behandelen. Zoveel dat je hoofd daar zo vol van wordt terwijl het lichamelijk nog best gaat. Ik droog heermoes uit de tuin omdat het vochtafdrijvend zou werken. Om dat te testen drink ik zelf een kopje en moet die nacht tien keer naar de wc. We praten over bidden voor genezing of liever nu nog even niet, omdat het proces wat ik nu ervaar ook zo genezend is. Over hoop houden en realistisch zijn. Van Claudia leer ik om hoop te houden. Gelukkig kan ze tegen mijn zelfspot en kunnen we samen lachen om kankergrappen. Op een dag fiets ik door haar straat en zie de vlag uithangen. Het is de enige vlag in de straat. Ik weet dat er gebeden wordt voor genezing. Ik app haar: ‘Waarom hangt de vlag uit?’ ‘Maxima is jarig.’ ‘Oh, dat wist ik niet. Ik dacht wonderbaarlijke genezing.’ Zij en haar man moeten er hartelijk om lachen.

April 2023

Ik vertel over mijn plannen om naar Roemenië te gaan. Zij zijn daar ook veel geweest. We spreken af dat ik dinsdagavond langskom om tips uit te wisselen van leuke plekken die ik kan bezoeken. “Ik moet ‘s middags wel naar het ziekenhuis”  “Weet je wel zeker dat je dan ‘s avonds nog wilt afspreken?” “Ja hoor, het gaat alleen over mijn rug.” Het ging niet alleen over haar rug, er zijn uitzaaiingen gevonden. Het ziekenhuis kan niets meer doen. Claudia en haar man nemen de tijd om dit nieuws te laten zakken. Die week stopt ze ook met werken. “Ik ben nu te moe om af te spreken, maar er komen nog genoeg momenten voor heel veel kopjes thee.” Vasthoudend hoopvol en biddend om genezing. We zagen elkaar niet meer. Ik ging naar Roemenië en daar kreeg ik een appje dat het hard achteruit ging. ‘Bezoek kunnen we maar zeer beperkt ontvangen.’

Ik voel me onrustig. Zo vaak heb ik overlijdens meegemaakt waarbij ik geen afscheid meer kon nemen of geen afscheid mocht nemen. Het laatste wat ik van Claudia heb gezien, is dat ze langsfietste. Ik weet dat het straks heel moeilijk gaat zijn om te geloven dat ze overleden is, met dat laatste beeld voor ogen. Ik worstel dagenlang met mijn behoefte aan afscheid nemen. Vooral omdat ik weet dat zij wil blijven leven, bidt om een wonder en niet zit te wachten op huilende mensen aan haar bed. Hoe breng ik die twee dingen samen? Hoe kan ik haar zien in wat zij op dit moment nodig heeft en tegelijkertijd mezelf recht doen in mijn behoefte tot afhechten? Ik besluit haar man te appen. Ik schrijf dat ik weet dat ze nauwelijks bezoek meer ontvangen, dat ik dat ook echt begrijp. Maar ik wel wil laten weten dat ik haar graag even wil ontmoeten. Bewust schrijf ik ‘ontmoeten’, zonder woordjes als ‘nog’ of ‘laatste keer’. Dat is ook de intentie die ik heb, haar ontmoeten, in het moment.

Een paar dagen later kan ik komen. Bij pottenbakken heb ik een lichtjesding gemaakt, die neem ik mee. Ik loop achterom, zoals altijd. Ze ligt op een bed in de tuin. Ik schrik van hoe ze eruit ziet, haar uiterlijk is in een paar weken zo veranderd dat ik haar nauwelijks herken. Ik vraag ‘hoe is het vandaag’ en we hebben het over de tuin, de natuur en de hond die zo lekker ligt. Het voelt vredig. We praten over hoe bezoek ook met eigen emotie komt en hoe lastig dat soms te verdragen is. “Daar hebben we het zo vaak over gehad, dat je met de kanker ook alle omgevingsreacties erbij krijgt.” Claudia knikt. Praten lukt niet meer. Het zijn bijzondere tien minuten, daar in hun achtertuin. We bidden samen en ik kan God danken voor fijne wandelingen, de troost in de natuur, delen van ervaringen en kopjes thee op de veranda. Voor ik vertrek houd ik haar hand even vast. “Tot ziens,” fluistert ze, “Tot ziens bij Jezus.”  Op 28 mei 2023 is Claudia me voorgegaan.

Related Posts