Onderaan de roltrap
Ik ben van de roltrap afgedonderd. Dat kwam omdat ik tegen een dalende roltrap op naar boven probeerde te lopen. Het lukte even, ik was zelfs halverwege. Toen bleef ik nog een tijdje op dezelfde plek. Geen seconde kon ik rusten, want dan zou ik naar beneden zakken. Mijn benen gingen verzuren, ik raakte buiten adem, maar stoppen weigerde ik. En nu lig ik onderaan de trap. Uitgeput. Als een dood vogeltje. Ik dacht dat er geen tussenplateau was. Ik dacht dat de trap oneindig lang naar beneden zou gaan. Maar ik lig stil.
Hier trof ik mezelf aan. “Ik kan niet meer’ mompelend. “Wat kan je niet meer?” vroeg ik, “Doen alsof het leven een feest is.” Het leven is geen feest. Ik ben moe. Ik ben bang. Bang voor de dalende roltrap. Bang voor de kanker die z’n eigen gang gaat, me steeds meer moe maakt. Bang voor het moment dat de roltrap me beneden heeft gebracht en ik de woorden ga horen waar ik voor weg wil lopen: “Het moment van behandelen is aangebroken.” Ik wil daarvan wegrennen. Ik wil de trap weer op. Ik wil blijven waar ik was. Ik wil wait and see ervaren als live en see. Ik wil van ieder moment genieten. Ik wil dapper zijn en stoer. Ik wil psychisch stabiel zijn en alle dagen zielsgelukkig. Ik wil dat het waar is, wat ik roep: “Voor depressie heb ik geen talent meer.” Ik wil een herstelheld zijn en psychisch for ever sterk en veerkrachtig. En dus zet ik een grote glimlach op als iemand vraagt hoe het gaat. “Tja kwakkelkanker, niets aan te doen, gewoon doormodderen.” Hoe harder ik lach, hoe groter de afstand met hoe het van binnen gaat. Ik recht mijn rug, gun mijn ogen geen rust en mijn brein draait overuren. De ene blog naar de andere bedenk ik midden in de nacht. Heel af en toe besef ik dat het niet handig is wat ik doe. Ik ben te bang. Te bang om te stoppen tegen de roltrap op te lopen. Stoppen betekent mezelf laten zakken. Ik ben bang dat ik wel echt in een dikke vette depressie beland. Want zeg nou zelf, hoe hoopvol is het om te beseffen dat ik zieker word? Dat ik mijn angsten moet aangaan mogelijk binnenkort. Dat wait and see over een tijdje afgelopen is. Ik weet dat ik het kan. Het is me in de onderzoeksfase ook gelukt. Maar wil ik het wel? Dood gaan lijkt me best een hele opluchting. “Zie je wel!!! Daar is de depressie al.” En ik begin de roltrap weer op te rennen, nog harder te lachen. Het leven is fantastisch. Zie mij eens dapper zijn. Ik red me wel.
Tot ik bij mijn haptofysio ben en ze vraagt: “Hoe is het nu echt?” “Ik wil niet meer. Ik kan niet meer.” Ik ga liggen op de bank en geef me over aan mijn moeheid. Het gebeurt niet zo vaak meer, maar één van mijn deelpersonen meldt zich. Ze wil echt niet meer. Liever vandaag nog dood, dan weer een dag erbij op deze manier.
Die middag log ik in bij mijn huisarts om medicatie aan te vragen. Daar was het weer de tijd voor en het lijkt me nu niet handig om zonder te zitten. Mijn interne puber is nog heel sterk op de voorgrond en neemt me over. Ik ben te moe en besef niet goed meer wat er gebeurt. Ze schrijft aan dr. Thijs, mijn huisarts: ‘Ik ben het zat. Ik wil dood.’ Gelukkig kent Thijs me langer dan vandaag en schrijft terug dat hij het idee heeft dat ik gedissocieerd ben. Ik schaam me diep. Ik moet huilen en kan niet meer stoppen. Nu is alles wat ik probeerde te voorkomen, dat ik ‘terug zou vallen’ toch gebeurd. Ik vind namelijk dat mijn interne delen me alleen van binnen mogen helpen en dat dit niet zichtbaar mag worden. Ik ben te moe om te eten. Te moe om balans te houden tijdens het lopen. Ik ben op. Ik besluit om maar een tijdje onder aan de roltrap te blijven liggen. Tot mijn verbazing blijf ik gewoon liggen. Er opent zich geen gapend diep zwart depressiegat. Ik ben niet reddeloos verloren. Ik lig op de grond. Niet meer en niet minder.
Inmiddels waggel ik weer wat in het rond. Die depressie, tja, ik heb vooral last van alle ideeën en mijn levenslust en een lijf dat niet meewerkt. Ik voel me wel depressievig, maar dat komt omdat ik meer in verbinding sta met mijn interne puber. Ze mag haar gevoel van hopeloosheid met mij delen. Daardoor voel ik dat ook meer. Tegelijkertijd is de rest er ook nog, alle andere kanten van en in mezelf. Ik geef mezelf nu af en toe creatieve therapie. Dan klooi ik wat met materiaal, zonder iets te maken. Alleen maar voelen en ervaren. Als ik wandel zak ik een beetje door mijn benen, alsof ik in de modder loop. Zo sta ik wat steviger en meer in mijn gevoel en wat minder in mijn hoofd. En als iemand een herstelheld zoekt: “Mij niet bellen.”



